Protestantse en Rooms-katholieke kerk te Rotterdam Ommoord
Interview ds. Fulco Timmers
Categorie: Aankondigingen


‹De betrokkenheid tussen een wijkgemeente en een predikant is een heel bijzondere.
Die ga ik wel missen in mijn nieuwe werk.›


Fulco, ik wil graag dit interview vooral richten op het verband tussen jouw persoon, je persoonlijkheid en je loopbaan. Je hebt een keer tijdens een preek de mensen aanbevolen een leeg vel voor zich te nemen, daarop punten uit hun leven te markeren en daaraan kleur te geven naar de rol die ze gespeeld hebben in hun ontwikkeling en levensloop. Je hebt zelf een nogal afwisselende loopbaan gekend tot nu toe, in het bedrijfsleven èn in het ambt van predikant. Dat maakt nieuwsgierig. Vandaar dat ik je vraag min of meer hetzelfde te doen in woorden op een denkbeeldig tekenvel.

Ik zal het al denkend doen, misschien niet zo overwogen, we zien wel. Toen ik mijn vertrek aangekondigd had, bedacht ik: ik heb nog nooit ergens zo lange tijd gewerkt als in Open Hof. Dat zegt trouwens wel iets van de band die ik met deze plek heb. Alle betrekkingen die ik gehad heb, duurden gemiddeld zo’n 4 à 5 jaar, waarmee ik nu precies op 20 jaar van werkzaam leven kom. Mijn eerste baan was bij een groot verband van instellingen in de zorg. Ik wilde na mijn studie theologie niet direct verder gaan met nog weer studeren, ik wilde dat er iets uit mijn handen kwam, dat ik iets zou bijdragen aan de samenleving. Niet in de sfeer van mijn opleiding, bijvoorbeeld als godsdienstleraar of pastoraal werker, ik wilde juist het andere, het ‘gewone’ leven leren kennen. Hoe het is om in je gewone werk met je geloof om te gaan, daarin naar het evangelie te leven. Ik heb toen van mijn hobby – het bezig zijn met de computer – mijn werk gemaakt en werd beheerder van een nog niet draaiende applicatie, een roostersysteem voor al die instellingen. Maar dat betekende dat ik het helemaal moest inrichten, de regelgeving doorspitten, gesprekken voeren met mensen die er mee moesten gaan werken, de vraag stellen: hoe dient zo’n programma jou het beste. In de tussentijd was ik toch wel begonnen met de kerkelijke opleiding tot predikant.

Na zo’n 4 jaar was het werk aan de applicatie klaar en kwam bij mij de gedachte op: ik heb nu in de zorgsector gewerkt, nu wil ik eigenlijk ook nog de hardere kant van het bedrijfsleven waar winst gemaakt moet worden, leren kennen. Daarom heb ik de overstap gemaakt naar de leverancier van het programma en ben als business consultant aan het werk gegaan. Op den duur miste ik echter het contact met de klanten en het samen oplossen van hun problemen, want ik moest vooral het produkt verkopen. Samen met die onvrede kwam tegelijkertijd de roeping duidelijker bij me op om dominee te worden.

Ik kreeg toen een beroep van de kerk in Roosendaal. Dat was heel moedig van hen, want ze beriepen voor het eerst een beginnend predikant zonder ervaring. Ik ben ze heel dankbaar daarvoor. Het eigenaardige van het beroep van predikant is, dat je meteen volledig wordt ingezet, geen proeftijd, geen jaarcontract. Dat is voor die gemeente eigenlijk een enorme gok.

Voor jou ook, want je zal het zelf moeten waarmaken.

Ja zeker, hier ben ik ook tot de overtuiging gekomen: bij dit werk ligt mijn hart. Dat neemt niet weg, dat ik in deze aanstelling zeker wel twee jaar bezig geweest ben met het  ontdekken wat het werk allemaal inhoudt. In mijn eerdere werk kon ik na korte tijd vrijwel gewoon meedraaien. Dat kon ik in Roosendaal tot op zekere hoogte ook, maar eer alle aspecten van het beroep langs gekomen waren, waren we twee jaar verder. Dat maakt het voor mij ook een bijzonder beroep.

Maar in Roosendaal bleek wel, dat het voor Elma met haar gerichtheid op de Randstad niet gunstig was om toch wat veraf te wonen. Toen hebben we voor ons beiden de keus gemaakt naar elders te verhuizen en zijn we in Rotterdam terecht gekomen, ik in Open Hof en de Ontmoetingskerk. Bij mijn bevestiging heeft Piet Zuidervaart gewezen op een bepaalde synchroniciteit, dat bepaalde gebeurtenissen die op het eerste oog niets met elkaar te maken lijken te hebben, toch verbonden kunnen zijn. Wij moesten afscheid nemen van de gemeente in Roosendaal, iets wat altijd een beetje verdrietig is, in Open Hof was er het emeritaat van de collega’s Jan Willem Doff en Guus Koelman èn er speelde de vraag: wat wordt de toekomst van de kerkelijke gemeente in Ommoord?

Over dat laatste heb ik bij mijn sollicitatie naar voren gebracht: hoe krijgen we aansluiting bij de jongere generatie?  Daar stap je dan in met wel enige bagage, maar je moet toch afwachten hoe het loopt. Je denkt dat het kan, maar je moet toch zien òf het kan.

Dat zijn zo de highlights op mijn tekenvel. Zo ongeveer.

Bedankt, maar ik vraag je toch ook ze naar ervaring en belang voor jou in te kleuren. Ik bespeur dat je het aantrekkelijk vond in de zorgwereld je weg te vinden door de samenwerking met andere mensen, te luisteren, minder daarna in het bedrijfsleven omdat daar uiteindelijk het produkt het belangrijkste was. Daarna was het mooie in Roosendaal dat ze je vertrouwen schonken en je zelf het werk in de vingers kreeg. Voor de volgende stap gold  vooral een praktische reden.

Dat klopt ten dele, dat was de aanleiding, maar de overeenstemming tussen wat Ommoord te bieden had en zocht en wat ik zocht en te bieden had, was heel goed. Op verschillende terreinen: ik was op zoek naar een gemeente met een cantor-organist en dat was hier het geval; ik wilde ook graag de uitdaging aangaan om wegen naar de toekomst te vinden en dingen te proberen, waarbij ik merkte dat deze gemeente die uitdaging ook ten volle voor ogen hield.

Dit overzicht geeft een mooi beeld van jouw groei in je werk, waarbij je voorliefde voor het werken met mensen zich ontwikkelde in de richting van het bezig zijn in het belang van de leden van de gemeente, de mensen van de kerk.

Ja, dat is zo.

We gaan over naar een ander punt. Je hebt me eens verteld, dat je ’s maandags het liefst je werkweek in je studeerkamer begint met een oriëntatie op wat er aan werk te wachten staat. Als je dan je agenda bekijkt, zullen er wel dingen zijn waarvan je denkt: ‘Kijk, daar heb ik zin in’ en andere ‘Nou ja, vooruit’ om van nog minder enthousiasme niet te spreken. Kun je daar wat voorbeelden van noemen?

Ja, zo begin ik inderdaad graag. Ik vind het fijn als de maandag nog open is. En de andere dagen, ja, er is voor mij altijd een kleuring van de week, of er weer een eredienst aan zit te komen of niet. Ik ga heel graag voor in de dienst, maar het is ook best een last op de voorafgaande week. Zo’n nieuwe preek komt niet vanzelf. Ik reserveer daar meestal de vrijdag voor. Door de preekverkenning en het gesprek met de collega’s trekt dat nu door de hele week heen, dat vind ik prettig. In een andere week kan ik vrijer andere dingen aanpakken, die onder de druk van die komende preek zijn blijven liggen.

Dat geeft die week dus een andere kleur? Wees eens wat duidelijker.

Ja, het is niet zozeer een bepaalde kleur, je kunt het vergelijken met een ander filter, net als op een camera. Welke kleur ook, dat filter kleurt alles waar die camera naar kijkt. Dat gebeurt dus ook door zo’n eredienst. Dat merk ik ook met een week waarin veel avondwerk wacht. Ik vind het overigens heerlijk om vormingsavonden te doen. Dat is ook wel spannend, hoe zullen de mensen het vinden, kunnen we iets met elkaar, ontdekken we wat, of slaat het totaal niet aan. Vergaderen vind ik ook prima, want dat dient het werk, soms met meer succes dan een andere keer. Dat ik in de week avondwerk heb is vrijwel altijd het geval, misschien vlak voor de zomervakantie een keer niet, maar dat is het dan wel.

Dat avondwerk is belastend voor je?

Ja, gewoon het simpele feit dat het ’s avonds is. Ik ben meer een morgenmens dan een avondmens. Ik heb wel eens de gedachte gehad om al het vergaderwerk op de zaterdag te zetten, zodat iedereen de andere avonden vrij heeft, maar dat is gewoon niet reëel, mensen hebben dan andere dingen te doen, boodschappen, tijd voor de kinderen, sport en zo. Trouwens door het werk met de 40-min-groep worden ook de vrijdagavonden benut, en soms de zondagmiddag als er kliederkerk is.

Dat legt wel een claim op je gezin.

Ja dat is zo. Ik wist dat dit erbij hoorde, maar het gaat wel wegen. Dat wel. Ik heb wel eens voorgesteld aan de kerkenraad om maar twee avonden per week te plannen, dat vindt iedereen prima, maar dan toch – en dat zit ook in mijzelf – als je dingen gedaan wil krijgen, loopt het anders. Daar speelt, zeg maar, mijn eigen ambitie.

Die ambitie is een mooie schakel naar het volgende punt. Het uiltje zit te kijken en zegt de ene keer enthousiast: Oh ja! en een andere keer allerminst enthousiast: Oh nee! En dan bedoel ik vooral het beleven van een moment tijdens je werk. De ene keer denk je: Ja, hier ben ik nou voor, dit is werk voor Fulco. En een andere keer denk je: Oh nee toch, hè.. Durf je daar iets over te zeggen?

Ja. Bij ‘Oh ja’ komt gelijk het Geloofs-ABC bij me op. De ontmoeting met mensen met zo verschillende achtergronden uit zo verschillende dimensies, katholiek, protestant, oud, jong, uit Ommoord en Zevenkamp, erg bij de kerk betrokken en minder. Kliederkerk is ook een ‘Oh ja’, een mooie erdedienst natuurlijk ook, een doopdienst bijvoorbeeld.

Wat versta je onder een mooie dienst?

Mooi is het, als verschillende elementen als een soort puzzelstukjes samenvallen. Als voorbeeld een doopdienst, je gaat eerst in gesprek met de doopouders en daaruit komt een lijstje van ideeën; die probeer je een plekje te geven. De zang kies je in samenspraak met Willem Blonk, die meekijkt en meedenkt, waar een gewenst lied een plek zou kunnen krijgen of aanspreken. Dat bedoel ik met de verschillende elementen. En als er dan een soort flow ontstaat, waar die hele dienst in verloopt, dan is dat voor mij wel ‘Oh ja!’.

En ‘Oh nee!’

Dan denk ik toch aan onderwerpen die ik wel doe, maar waarbij ik denk: Ben ik hier nou theoloog voor, predikant?

Zoals?

Nou, het maken van posters waar de diensten in aangekondigd worden. Ik vind het op zichzelf wel leuk om te doen, een beeld bedenken, maar daar worden niet mijn talenten van predikant aangesproken.

Toch nog even verder over het ‘Oh nee!’. Komt die gedachte wel eens voor als er iets gebeurt?

Ja…, dat is als het in de communicatie tussen mensen helemaal uit de bocht vliegt. Vaak door onbegrip. Ik heb e-mail daarbij wel eens benoemd als een risicovol communicatiemiddel. Als je elkaar ziet en spreekt, zie je de reactie op wat je zegt en denk je: o, wacht even, anders zeggen. Bij een mail heb je dat niet, daar maak ik me soms zorgen over. Ik heb dat toch wel sterk, dat ik me afvraag hoe iets bij iemand overkomt. Dan kan het alles ook meevallen en heeft de ander er eigenlijk niets van. Niets aan de hand.

Dit punt is mij aangereikt en ik vind het wel leuk, maar ook wat gevaarlijk. In jouw werk moet er natuurlijk een flinke rem aanwezig zijn en houd je bepaalde dingen ‘achter de haag van de tanden’, om het klassiek te zeggen. Misschien wil je toch iets kwijt.

Meestal sta ik voor, dat ik met mensen deel wat ik vind of denk, dus dat ik daar open in ben. Zeg ik dan altijd alles? Nee. Dat lijkt me ook wijs. Dan denk ik: hoe balanceer ik daar tussen? Wat ik bijvoorbeeld wel vind, is dat ik het 40-min-project anders had moeten noemen, dat suggereert een bepaalde groep, terwijl het over de kerk als geheel gaat. Daar ben ik na een paar jaar achter gekomen, maar toen waren we al zo ver, was het ingesleten. Dat had ik misschien beter in het begin kunnen zeggen.

Je omzeilt wel een beetje de vraag.

Wat ik wel geleerd heb de afgelopen jaren in Open Hof, is me meer uit te spreken.  Zo zie ik me zelf hier wel als een andere dominee optreden dan in Roosendaal. Nu durf ik ook meer. Daarin zie me ook als een verrijkt mens na deze vijf en een half jaar Open Hof. Daar heeft Open Hof niet zoveel aan, maar in mijn nieuwe baan dien ik toch altijd de gemeenten, dus ook Open Hof.

Dat ben ik niet helemaal met je eens. Door jouw groei is de gemeente rond Open Hof ook gegroeid; die is als het goed is ook niet meer wat ze vijf jaar geleden was. Zo wordt binnen het overleg de invoering van een bezinningsmoment en het vormen van kleine groepen als positief ervaren. En in de interactie heb jij geleerd je wat harder uit te spreken, misschien ook dan men gewend was. Dat is toch goed?

Ja zeker, dat is zo.

Je bent ook anders gaan preken naar mijn gevoel. Je hebt de gemeente in toenemende mate aangesproken, denk ik.

Ja, als je het vanuit deze vraag bekijkt, klopt dat.

Dan, wat in hedendaags taalgebruik heet: ‘mijn ding’. Ik heb je gevraagd iets uit te zoeken dat voor jou belangrijk is, dat je na aan het hart ligt.

Ja, dat heb ik gevonden. Het is deze kaart die ik een keer van twee leden van de gemeente heb ontvangen en waar ik heel blij mee ben. Die past helemaal bij mijn gevoelen en denken over kerk-zijn. Je ziet daarop een kansel met een predikant en een heel hoge kerkbank met gewichtige ambtsdragers en die kijken naar iets wat tussen hen in op de kerkvloer gebeurt. Daar danst een kind in het licht.
[De kaart ziet u op de foto bovenaan, een afbeelding van het schilderij van Marius van Dokkum is ook te vinden op internet]

Die kaart is me dierbaar om de afbeelding maar ook om de woorden van de afzenders aan de binnenkant, waar wordt verwezen naar lied 839 Ik danste die morgen toen de schepping begon. Ik vind het een mooie gedachte dat de schepping gegrond is in een dans. Daarmee dek je niet af wat er aan naars en slechts is, maar de grondgedachte dat het een dans is, die spreekt mij enorm aan. Ook het fijne bij deze kaart is, hoe gemeenteleden even door wat woorden hun meeleven tonen met een predikant. En dat kan op allerlei manieren: mensen die zeggen dat ze voor je bidden, maar ook iemand die zegt: ik kan je altijd goed volgen, maar zondag kon ik er geen touw aan vastknopen. Al die betrokkenheid. Daarom deze kaart als ‘mijn ding’. Die betrokkenheid tussen een wijkgemeente en een predikant is een heel bijzondere. Die ga ik wel missen in mijn nieuwe werk.

Dat is een veelzeggende zin, Fulco. Ik stel voor die boven het interview te zetten.

Goed.

Dan het laatste punt: de twee woorden ‘En nu.’ Je krijgt een meer organisatorische functie.

Mijn nieuwe functie laat zich misschien goed samenvatten in het woord ‘verbinden’. Ik draag verantwoordelijkheid voor wat dan heet de ‘programmalijn lokaal kerkzijn’, dat is hoe het dienstencentrum dienstbaar is aan de lokale kerk. Van mij verwacht men dat ik de mensen die daarmee bezig zijn met elkaar verbind. Mensen die ideeën, plannen en initiatieven hebben, met elkaar in gesprek brengen.

Je moet dus een geweldig netwerk gaan opbouwen?

Ja, ik heb al wel best een goed netwerk. En ik hoop dat ik ook nu al zo in de gemeente functioneer, door mensen bij elkaar te brengen.

Reageer eens op deze opmerking: het wordt wel meer een papieren functie.

Ja en nee. De naam voor de functie is programmaleider, om de term manager te vermijden. Maar ja als je vraagt: wat ga je doen, dan is het antwoord toch: ik ga managen. Je hebt heel wat manieren om te leiden, maar voor mij is de belangrijkste toch: het dienend leiderschap, op zo’n manier leiding geven dat het dienstbaar is aan wat mensen doen.

Dienstencentrum en dienstbaar gebruikte je daarnet in één zin, maar centra hebben wel eens hun eigen dynamiek.

Die dienen dan vooral zichzelf. Dat risico is er altijd. Uit de zorg ken ik de slogan ‘de cliënt staat centraal’, maar of je echt de klant centraal stelt en onder ogen ziet wat dat van jou als medewerker vraagt, dat is niet altijd makkelijk. Ook niet voor mij als predikant. Je hebt eigen behoeften, voorkeuren en die mogen er zijn. Je hoeft je niet weg te cijferen. Toch heb ik volgens mij in mijn werk altijd de vraag gesteld: Hoe dien ik deze gemeente het beste? Daarbij breng ik natuurlijk mijn talenten, kennis en kunde in, het is ook geen ‘u vraagt, wij draaien’. Ik vergelijk het met ouders. Ik probeer mijn kinderen te dienen. Dat betekent niet, dat ze alles mogen en alles moeten kunnen, maar mijn taak als ouder is hun op een goede manier een duwtje-het-leven-in te geven. Dat dienen is voor mij heel wezenlijk en zo vat ik  mijn nieuwe taak ook op. En als ik mijn werk goed doe en ik word ooit weer gemeentepredikant, dan dien ik ook mijzelf.

Ik kijk wel eens op de website van de PKN en lees over die nieuwe activiteiten. Dan vind ik de benadering wel wat van-boven-af gericht.

Ja, dat is zo. Dat wordt ook onderkend en de intentie het anders te doen is er ook. Alleen #hoedan is er nog niet. En juist daarin hoop ik een bijdrage te mogen leveren. En ik denk dat mijn ervaring in de afgelopen twintig jaar in verschillende werkkringen daarin vruchtbaar kan zijn. Hoe dat uitpakt, dat weet ik nog niet.

Als je zou denken dat te weten, zou je er misschien maar niet aan moeten beginnen.
Je bent nu met dit interview een uur bezig met nadenken, het was zeer open, indringend en boeiend.

Fulco, namens alle mensen van Open Hof heel veel dank hiervoor.


(Louis Vermeulen, 31 augustus 2021)